Een ‘Witte Schicht’ kent geen rust

Nico de Bree was eind jaren zestig een legende bij NEC en werd daarna een topkeeper in België. Hij woont met zijn vriendin in het Belgische Veurne, vlakbij de Franse grens. Maar de rest van wereld is zijn werkterrein. Grote kans dat hij binnenkort als keeperstrainer naar China vertrekt.


Zijn leven zit vol hoogte- en dieptepunten, maar alles beleeft hij deze middag opnieuw als die verschrikkelijk decembernacht in 1987 weer ter sprake komt. Nico de Bree woont boven zijn Belgische discotheek Palm Beach als hij wakker schrikt van een enorme knal. Hij springt uit bed en staat in twee passen bij de deur die hij in één ruk opentrekt. Voor zijn neus staan drie mannen met bivakmutsen over het hoofd en riotguns in de aanslag.

In de bungalow in zijn huidige woonplaats Veurne staat De Bree op van tafel, loopt naar de kamerdeur en slingert een oerkreet het lege halletje in. Hij draait zich om zegt: “Ik schrok me rot, sloeg de deur met een klap weer dicht en het volgend moment klinkt er weer zo’n oorverdovende knal. De voorste man had zo door mijn slaapkamerdeur geschoten.” Hij steekt een arm in lucht. “En dwars door mijn hand.” Om dat laatste te bewijzen wijst hij op zijn duim. Die staat ietwat haaks op het gewricht. “Buigen kan ik hem niet meer”, zegt De Bree. “Maar ik had mazzel dat ik een stap opzij had gezet en daardoor achter de muur stond. Anders was ik er nu niet meer geweest.”

Wat er daarna gebeurt keert soms nog wel eens als een nachtmerrie bij hem terug. “Ik was buiten zinnen. De eerste slinger ik nog tegen de grond, maar vervolgens word ik overmeesterd door die andere twee. Mijn vrouw en ik werden vastgebonden. Zij op bed, ik – nog steeds poedelnaakt – op de grond aan een bedpoot. Vier uur lang heeft een van de drie zijn riotgun tegen mijn slaap gehouden.” Hij trekt de binnenkant van zijn onderlip naar buiten. “Die was helemaal rauw. Had ik zelf kapot gevreten. Uit pure angst. Ik wist zeker dat ze ons zouden vermoorden.”

Uiteindelijk vertrekt het trio.

“Alles van waarde hadden ze meegenomen. Plus de dagopbrengst van de discotheek. Normaal gesproken bracht ik dat geld altijd naar mijn schoonvader die even verderop woonde. Uitgerekend die avond niet. Gelukkig maar, want als ze dat geld niet gevonden hadden, waren ze volgens mij buitenzinnen geraakt. En dan had ik het nog niet geweten.”

De Bree en zijn vrouw worden bevrijd door hun zoontje van twee die zich al die tijd op zijn slaapkamertje verborgen heeft gehouden. “Dat vergeet ik nooit meer. Voor hem was het ook een traumatische ervaring. Hij is nu achter in de twintig. Kan er nog steeds niet alleen in het donker zijn.”

Een jaar lang probeert de oud-doelman af te rekenen met de gebeurtenissen, maar de angst zit te diep. “Ik kon er niet meer tegen. ’s Nachts alleen boven die discotheek. Die gasten zijn nooit gepakt. Ik zat gewoon te wachten op de volgende overval.”

Met bloedend hart doet hij ‘Palm Beach’ van de hand. “In heb er twee gehad. In mijn tijd als doelman bij RWDM runde ik mijn eerste discotheek. Number One heette die. Ik hou van discotheken. Er gebeurt altijd wat. Eddy Merckx en Pol van Himst werden er vrienden van me. Dan zei Eddy ’s avonds thuis: ‘ik ga even hardlopen’. En vervolgens pakte hij dan een pintje bij mij aan de bar in Number One.”

Na een korte vakantie verkoopt hij Number One en staat hij zes maanden later aan de wieg van Palm Beach. In zijn ogen verschijnt een glinstering. “Ach, Palm Beach”, verzucht De Bree. “We zaten op Gran Canaria. Op een avond werd er daar in de Palm Beach een ‘witte avond’ gehouden. Ik had nog nooit zo’n mooie discotheek gezien. Dat ga ik ook doen, zei ik tegen mijn vrouw. Zes maanden later was de openingsavond in België.” Trots klinkt door in zijn stem. “Palm Beach was niet zo maar een disco. Het was een stijlvol gebouw. Ronde bogen aan de voorkant, beetje Spaanse stijl. Binnen had het de uitstraling van Las Vegas. Duizenden fijne lichtjes in het plafond, tapijten tegen de muren. Er waren drie verdiepingen met drie bars. Ik had 27 man personeel. Een schitterende disco. En het liep als een trein. Man, het geld stroomde binnen.”

De discotheken maakten een rijk man van hem. Aan de muur in de gang hangt een luchtfoto van een enorm gebouw. De plaatselijke basisschool vermoeden we. De Bree grijnst. “Hier woonde ik met mijn tweede vrouw en mijn twee kinderen. Dat was in 1994. Ik heb het een keer uitgemeten. Van de living naar de slaapkamer was een wandeling van 54 meter.”

Even zo snel is de lach weer van zijn gezicht verdwenen. Want zo goed als het zakelijk met hem ging, privé waren het woelige tijden. Al in zijn NEC-tijd was De Bree populair bij de vrouwen, die in veel gevallen als een blok vielen voor de aantrekkelijke doelman. Dat kostte hem uiteindelijk zijn eerste huwelijk. De Utrechter trouwde met een twaalf jaar jongere vrouw, die hem na negentien jaar voor een jongere buurman verliet. “Ik hield zielsveel van haar. Allerlei financiële kwesties liggen nu nog bij de rechter. Maar het ergste is dat ik mijn dochtertje al drie jaar niet meer heb mogen zien. Dat doet veel meer pijn dat al dat geld dat ik nog te goed heb.”

Uit twee huwelijken heeft hij in totaal vier kinderen. Tegenwoordig woont hij weer samen. Zijn vriendin is opnieuw jonger, maar ziet haar vriend niet echt vaak. “Daarom hebben we deze bungalow ook gehuurd. Ik ben niet veel thuis. Waar ze me willen hebben, reis ik naartoe. Als keeperstrainer.” In zijn ogen keert die bekende twinkeling terug. “Man, dat doe ik nog zo graag!”

Eigenlijk is hij dus altijd die doelman gebleven. Die keeper die in Nijmegen bij NEC furore maakte als de ‘Witte Schicht’, omdat hij altijd in witte broek en witte trui onder de lat stond. De Bree leek vergroeid met De Goffert, maar koos zes jaar na zijn debuut in 1966 toch voor het grote geld in België. Ook al omdat NEC Harry Schellekens aantrok, toen door iedereen gezien als het grootste talent van Nederland.

“Harry kon wel wat”, herinnert De Bree zich, “maar oogde een beetje sloom. Leek vaak met zijn gedachten ergens anders.” Hij weet nog dat zijn beoogde opvolger drie keer opzichtig blunderde in een oefenwedstrijd. “Was mijn transfer plots van de baan. Orders van Wiel Coerver, die weigerde mij te laten vertrekken. Heb ik de trainer na een training op de Goffertwei toch even aan de kraag van zijn trainingsjack opgetild.”

Nico de Bree vertrok naar België om er voor altijd te blijven. Een betrouwbare doelman die bij vijf clubs onder contract stond en zijn grootste triomf beleefde met Anderlecht. De winst in het Europa Cup II-toernooi leverde hem zelfs een plek op in de selectie van het Nederlands elftal voor het WK van 1978 in Argentinië. “Er gingen drie keepers mee. Daar moest ik bij zitten. Maar Happel koos voor Doesburg, Schrijvers en Jongbloed. Een dag voor de laatste oefenwedstrijd tegen Oostenrijk kreeg ik de mededeling. Ik was ontgoocheld. Zonder verder een woord met iemand te wisselen heb ik mijn auto gepakt en het trainingskamp verlaten. Daar waren Rensenbrink, Haan en Boskamp lekker mee, want die waren met mij meegereden.”

Met Rensenbrink heeft hij geen contact meer, Arie Haan en Jan Boskamp daarentegen zijn makkers van hem geworden. Als een van de twee ergens in de wereld aan de slag kan als hoofdtrainer, duurt het niet lang of bij Nico de Bree rinkelt de telefoon. Vriendendienst en kwaliteit gaan hand in hand, volgens de oud-doelman. “Van niks maak ik een keeper, een beetje doelman wordt bij mij een goeie en een goeie groeit bij mij uit tot een superkeeper.”

En zo vertoonde De Bree zijn kunsten in België, Griekenland, Oostenrijk en de afgelopen twee jaar bij Al Wasl Club in Dubai. “Het bio-vakantieoord noemde ik het”, zegt-ie met een vette grijns. “Jan Boskamp was er hoofdtrainer. Hij had een masseur, looptrainer en mij als keeperstrainer uit België laten overkomen. Jan verdiende een topsalaris en wij alledrie iets minder, maar wel hetzelfde en dat was heel goed.” De grijns gaat nu van oor tot oor. “Elke morgen stond ik om 10.00 uur op. Dan legde ik drie parasols en drie ligbedden – want je kwam elke dag wel iemand anders tegen – in de auto en reed naar het strand. Om een uur of vier reed ik weer naar huis, uurtje op de bank, trainen, lekker douchen, fris geurtje op leuke kleren aan en dan gingen we uit eten en misschien nog even naar de disco.”

Hij lacht nu voluit. Volgend jaar wordt hij zestig, maar aan tafel zit nog steeds een bonk van een kerel. Gespierd, vlotte babbel, gulle lach, alleen een beetje een doorgroefd gelaat. “Dat komt van die vuile zon daar. Tussen juni en augustus is het daar 45 graden. Temperatuur van het zeewater? 38 Graden! Pas na augustus wordt het aangenamer. December is gemiddeld 25 graden. In januari misschien twee graden minden en in februari heb je kans op twee wolkjes en misschien wel een bui. Maar deze week zat ik hier in Veurne bij een wedstrijdje op de tribune. Man, ik heb het nog nooit zo koud gehad. Nee, dan geef mij Dubai maar. Ik zou er wel kunnen wonen.”

Af en toe kijkt hij met een scheef oog naar de telefoon. “Ik wacht op een belletje van Arie Haan. In september haalde hij me naar Amerika. Daar had hij met de nationale ploeg van China een trainingskamp opgeslagen. Of ik drie weken lang de keepers onder handen wilde nemen. Dat ging helemaal buiten de Chinese bond om. Arie betaalde mijn ticket en verblijf daar uit eigen zak. De tweede keeper bleek een enorme Chinees. Potverdorie, dacht ik nog. Die gozer heeft een fantastisch lichaam voor een keeper. Ik heb elke dag zo’n drie uur met die jongen gewerkt. Arie stelde hem in twee oefenwedstrijden op. Hij was super. Bij zijn club in China is hij nu eerste keeper.”

Maar nu zit hij weer in Veurne en wacht hij op dat verlossende telefoontje. “Ik zou die Chinezen graag willen laten zien wat ik kan. Arie heeft hetzelfde. Die zegt maar steeds: wat Guus heeft gedaan met Zuid Korea kan ik met China. Volgend jaar doen ze mee in het toernooi om de Azië Cup. Dat wordt een eerste test. Ik hoop echt dat ik er bij ben.”

En dan. Weer weg uit Veurne. Weer weg bij zijn vriendin. “Maar dit doe ik het liefst”, zegt De Bree. “Elke dag op dat trainingsveld. Ik heb nog steeds een fantastische dropkick. Uit de handen schiet ik die bal waar ik ‘m hebben wil. En ik kan keepers nog zoveel leren. Hoe zet je de benen neer, hoe gebruik je de handen, hoe kijk je.” Hij krijgt jeuk als hij Kahn bij Bayern München of in het Duitse elftal ziet keepen. “Hoe die zich opstelt. Rampzalig gewoon. En die linkse hoek. Overduidelijk zijn zwakke kant, maar ze schieten alle ballen rechts van hem. Onbegrijpelijk.”

Over Van der Sar is hij lovend. “Die staat waar-ie moet staan. Het enige nadeel is zijn uitstraling. Die heeft-ie niet. Maar voor de rest: fantastisch goed.”

Hij wijst naar de bar achter hem in de kamer. “Mooi hè, helemaal zelf gemaakt. Alle kasten, kandelaars, bankjes. Zeg maar alles van hout. Met deze twee handen gedaan. Van oudsher ben ik meubelmaker. Soms sta ik drie dagen in de garage. Heb ik een fijn stuk geloogd hout. En daar maak ik dan een leuk kastje van.”

De dagen dat hij met een beitel zo’n stuk hout te lijf gaat of dat hij op het voetbalveld een keeper van de ene hoek naar de andere jaagt, hij koestert ze. Dan denkt hij niet aan de brute overval van zestien jaar geleden die zijn hele leven op z’n kop zette. Nog maar drie jaar geleden kwamen die beelden in alle hevigheid terug.

“We lagen op bed. Hier in dit huis. Plotseling een enorme klap. Ik direct naast het bed. Maar ik durfde niet naar de deur te gaan. Laat staan dat ik beneden ging kijken. Ik voelde me ook heel raar. Kreeg van die steken in de borst. Maar al die tijd gebeurde er niks. Ben ik toch voorzichtig gaan kijken. Was de kroonluchter van het plafond naar beneden gekomen. Later bleek ik door een hartinfarct getroffen te zijn” Geen moment heeft hij overwogen om de voetbalschoenen in de kast te zetten. “Ik kan niet stilzitten, hè”, klinkt het bijna verontschuldigend. Maar toch, als hij nu terugkijkt en hij mocht zijn leven overdoen? Er volgt een korte stilte en dan zegt hij: “Dan zou ik het allemaal toch iets serieuzer aanpakken.” Voor één moment is die twinkeling uit zijn ogen verdwenen.


Bron: De Gelderlander

Reageer via DTH Facebook of deel via social media of mail.