Het seizoen 2017-2018 staat voor de deur en onze spelers mogen spoedig weer de wei in. Ik zal het meteen maar eerlijk bekennen: ik voel hem nog niet. De tik van de tweede degradatie in drie jaar tijd heeft er toch flink in gehakt. Tuurlijk, we zijn financieel ‘gezond’ en er lijkt een grote schoonmaak te hebben plaats gehad op het kantoor die hoop geeft dat er nu eindelijk ruimte is om weer vooruit te kijken. Maar uitkijken naar wat, ik vind het moeilijk.
Begrijp me niet verkeerd, degraderen an sich is geen onbekend terrein voor me. Ik ben nog van de generatie die het standaard jojoën van onze ploeg tussen de twee divisies bewust heeft meegemaakt in de jaren ’80 en de vroege jaren ‘90. De relatieve kalmte van het nieuwe millennium ervoer ik als een ongekende luxe. Wat ik steeds moeilijker vind is het gevoel van binding met de ploeg. De afgelopen jaren is het bij NEC een draaideur geweest van in- en uitgaande spelers en telkens als er eens een jongen tussen zat waarover ik enthousiast kon worden dan was hij binnen een jaar alweer weg. Ik weet het, zo werkt het nu eenmaal in het moderne voetbal. Maar dat maakt het helaas niet minder zuur. Ook leken de spelens die er kwamen steeds minder een eigen persoonlijkheid te hebben. Als ik terugblik op de afgelopen 3-4 seizoenen dan voelt het net alsof er een stenselmachine langs het veld stond die vormloze poppetjes uitflapte met een NEC shirt. Maar goed, wellicht ben ik dezer dagen gewoon een ouwe zeur.