Wat heb ik NEC de laatste seizoenen af en toe vervloekt. Maar nooit kwam de vraag bij mij op of ik zou blijven gaan. Nooit kwam het in me op om onze mooie club in de steek te laten. Elk seizoen, elke week was er weer de hoop dat er een omslag plaats zou vinden. Hoop op resultaten, mooi voetbal en een volle Goffert. Maar net zo vaak werd ik teleurgesteld. Teleurgesteld door beroerde resultaten tegen nog beroerdere tegenstanders. Teleurgesteld in het vertoonde spel en nog meer teleurgesteld in supporters die het voor gezien houden en liever hun tijd beter besteden. De tribunes werden leger en de supporters die, uit liefde, gewoonte of omdat ze het thuis niet leuk hebben, wel bleven komen waren niet te benijden. Ik was niet te benijden en dat maakte me zelfs een beetje trots.
Dat dacht ik dus en wat had ik het mis. Het corona virus klapte als een mokerslag in onze smoel. Op mijn werk werden beschermende pakken, mondkapjes en veiligheidsbrillen uitgedeeld en voetbal was even niet belangrijk. De competitie werd beëindigd en de Goffert ging op slot. Wat volgde was stilte.
Inmiddels zijn we wat verder, de eerste schrik is er een beetje af en langzaam lijken we het virus in te tomen. Er is nog geen controle maar er is hoop. We willen weer terug naar normaal. Ik wil weer terug naar normaal. Want jongens wat hadden we het eigenlijk goed, wat was ik te benijden.
Nu fiets ik langs een stille Goffert en ik mis het voetbal. Ik mis de beroerde tegenstanders, ik mis mijn voetbalmaten. Ik mis zelfs de betaalautomaten, de uitzendkrachten van de catering en ja, ik mis zelfs de veiligheidscoördinatoren Herr Flick en zijn maatje Helga. (Nou ok, die misschien niet)
